iets

Toen ik dertien was, kreeg ik mijn eerste man
op de maan en van Elton John Mijn Lied.
Ik, de gewichtloze astronaut, gleed in mijn sokken
over het tapijt, mijn zusje speelde Mission Control
bij mijn tenen. Ze leerde hoe ze een verpleegster kon zijn,
ons huis een kliniek en de woonkamer haar intensieve zorgen.

It's a little bit funny, zong Elton ongevraagd. Corona
bestond nog niet, al kroonde ik zus met toekomst
die ze nooit zou krijgen, net als de maan.
Ik speelde piano voor haar, mijn vader schuiftrombone,
lekker vals. I don't have much money, but boy if I did.
I'd buy a big house where we both could live.

De telefoon stond roodgloeiend, dat was de pers
en Moeder de gans, mijn grootmoeder,
die de trap af kwam, zei dat het druk was in huis,
te druk om iets te verstaan van het gebeuren
aan de andere kant van de lijn,
voor zus en mij de wereld.

Nu ik oud ben, reis ik door de tijd
naar de splash in de oceaan, toen de kabine openging
en ik, poppenkast spelend, mijn stem leende
aan Neil Armstrong, die zei dat hij eerst
in quarantaine moest, net zoals de mensen vandaag,
die positief zijn, wat er ook is gebeurd.